Nederland – Tunesië (3-1) & Vooruitblik op Marokko
Nederland boekte uiteindelijk een overtuigende 3-1-overwinning op Tunesië. Tegen een tegenstander die vrijwel de hele wedstrijd vanuit een laag 5-4-1 verdedigde, had Oranje voortdurend controle over het balbezit en het tempo. Toch kwamen ook in deze wedstrijd opnieuw enkele structurele kwetsbaarheden aan het licht. Tegen Tunesië bleven die grotendeels onbestraft, maar tegen sterkere tegenstanders kunnen ze een veel grotere rol gaan spelen.
Met bal: meer variatie in de opbouw
Nederland wisselde in balbezit regelmatig tussen een 3-2-opbouw en een 3-1-structuur. Veruit het vaakst ontstond daarbij een 3-1-5-1, waarbij de rechterkant bewust werd overbelast. Het uitgangspunt was duidelijk: Tunesië zo breed mogelijk uit elkaar trekken en vervolgens met veel spelers tussen de linies combinaties creëren. Opvallend genoeg gebeurde dat deze keer vooral via de rechterflank. Waar Gakpo in eerdere wedstrijden regelmatig als belangrijkste wapen aan de linkerkant werd gezocht, speelde hij tegen Tunesië een veel minder prominente rol in het creëren van één-tegen-één-situaties. Dumfries kreeg opnieuw een andere rol dan in de voorgaande wedstrijden. Hij schoof vaak hoog door als rechter wingback, terwijl Malen juist veel vrijheid kreeg om vanaf rechts naar binnen te bewegen. Daardoor ontstonden voortdurend positiewisselingen met Gravenberch, die afwisselend als acht, tien of zelfs naast De Jong opdook. Juist die vrijheid leverde Nederland veel variatie op, al stonden Gravenberch en Malen soms ook op dezelfde verticale lijn. Daardoor verdwenen er af en toe passhoeken en werd het positiespel onnodig statisch. Gravenberch zakte bovendien geregeld uit naast De Jong, waardoor Nederland incidenteel terugviel naar een 3-2-opbouw. Dat gebeurde echter vooral situationeel en niet als vast patroon. Aan de balverre kant schoof Aké juist regelmatig naar binnen. Daarmee probeerde Oranje de restverdediging beter te organiseren en direct na balverlies in een gunstige positie te staan voor de counterpress. Dat principe doet sterk denken aan de manier waarop Manchester City zijn restverdediging organiseert. Voorin bleef Brobbey opnieuw een cruciale schakel. Met zijn fysieke aanwezigheid hield hij centrale verdedigers bezig, fungeerde hij als aanspeelpunt en legde hij ballen goed terug op de aansluitende middenvelders. Daarnaast bleef hij de belangrijkste afmaker in het strafschopgebied. Dat Tunesië vrijwel uitsluitend vanuit een passief 5-4-1 verdedigde en nauwelijks initiatief nam, maakte het voor Nederland relatief eenvoudig om de controle over de wedstrijd te behouden.
Een herkenbaar aanvalspatroon
Ook tegen Tunesië kwam een aanvalspatroon terug dat tijdens dit toernooi inmiddels meerdere keren succesvol was. Nederland probeert de voorlaatste pass bewust naar de buitenkant te spelen. Vanuit die positie volgt vervolgens een directe bal het strafschopgebied in. Vooral aan de rechterkant werkte dat uitstekend. Dumfries hield de breedte of kwam vrij aan de buitenkant, terwijl Malen juist naar binnen trok en Gravenberch de diepte zocht. Daardoor ontstond meerdere keren precies de dynamiek die Nederland zocht. De openingstreffer was daar een perfect voorbeeld van. Via de rechterkant werd de bal naar buiten gespeeld, waarna de voorzet direct voor gevaar zorgde. Slechts enkele minuten later probeerde Nederland exact dezelfde aanval opnieuw op te zetten. Dit keer ontbrak alleen de nauwkeurigheid in de laatste pass. Juist tegen compacte lage blokken blijkt dit een zeer effectief aanvalswapen. Brobbey kiest zijn loopacties richting eerste paal en strafschopgebied uitstekend, waardoor verdedigers voortdurend onder druk komen te staan. Niet voor niets leverde hetzelfde patroon eerder tegen Zweden al meerdere doelpunten op.
Verdedigend: herkenbare pressing, dezelfde kwetsbaarheden
Ook tegen Tunesië koos Nederland zonder bal grotendeels voor dezelfde pressingstructuur als in de voorgaande wedstrijden. Vanuit een sterke man-georiënteerde pressing probeerde Oranje de opbouw al vroeg onder druk te zetten en balveroveringen hoog op het veld af te dwingen. Dat lukte regelmatig, mede doordat Tunesië weinig oplossingen had tegen de Nederlandse intensiteit. Vooral Aké maakte een sterke indruk. Hij koos zijn momenten om door te stappen uitstekend en wist meerdere keren op het juiste moment druk te zetten op de Tunesische rechter wingback. Daardoor werd Tunesië regelmatig gedwongen tot lange ballen of onnauwkeurige passes. Toch kwamen ook nu weer dezelfde structurele problemen aan het licht. Wanneer Tunesië met uitwijkende of diagonale loopacties probeerde de mandekkingen uit elkaar te trekken, liet Nederland de directe tegenstander niet altijd consequent overnemen. Daardoor ontstond meerdere keren ruimte tussen de linies of zelfs achter de laatste lijn. De grootste waarschuwing kwam al vroeg in de wedstrijd. Na een relatief eenvoudige dieptepass aarzelde Van Dijk bij het overnemen van zijn directe tegenstander. Vervolgens kreeg Tunesië alle tijd om vanaf de flank voor te zetten, verloor De Jong zijn man uit het oog en kon Gharbi volledig vrij afronden vanuit een uitstekende scoringspositie. Dat die kans onbenut bleef, veranderde weinig aan de structurele kwetsbaarheid die opnieuw zichtbaar werd. Wanneer Nederland zich terugtrok in een midden- of laag blok, verdedigde het opnieuw vanuit een 5-4-1. Ook daarin bleven de onderlinge afstanden en de communicatie niet altijd optimaal. Tegen Tunesië leverde dat nauwelijks problemen op, maar tegen tegenstanders met meer individuele kwaliteit zullen juist dit soort momenten veel sneller worden afgestraft.
Counterpress blijft aandachtspunt
Hoewel Nederland met een hoge laatste lijn en veel spelers rond de bal in theorie uitstekende voorwaarden creëert voor een effectieve counterpress, blijft de uitvoering wisselvallig. Na balverlies ontbreekt het nog te vaak aan directe druk op de bal. Daardoor krijgt de tegenstander regelmatig de mogelijkheid om de eerste pass vooruit te spelen voordat Nederland de controle terug heeft. Een deel van dat probleem ontstaat al tijdens het eigen balbezit. Wanneer Nederland te snel door het centrum probeert te spelen zonder eerst voldoende tegenstanders te binden, ligt de ruimte na balverlies direct open. Tunesië wist daar meerdere keren gebruik van te maken door met een numeriek overtal uit de eerste druk weg te spelen. Ook de restverdediging oogde niet altijd even stabiel. Doordat De Jong regelmatig uitzakte naast of tussen de centrale verdedigers, ontstond er soms een 4-0-structuur vóór de laatste lijn. De ruimte vóór de verdediging bleef daardoor onbezet, waardoor Tunesië na balveroveringen relatief eenvoudig de eerste pass kon versturen. Aké probeerde dat meerdere keren individueel te corrigeren door agressief door te stappen vanuit de laatste lijn. Zijn proactieve manier van verdedigen leverde verschillende balveroveringen op, maar bracht ook risico’s met zich mee. In de twaalfde minuut ontstond juist door zo’n uitstapmoment ruimte aan de buitenkant, waardoor Tunesië gevaarlijk kon omschakelen. Vergeleken met Van de Ven verdedigt Aké duidelijk aanvallender. Hij stapt sneller uit, durft vaker initiatief te nemen en wint veel duels vooruit. Tegelijkertijd vraagt die speelstijl om een perfecte onderlinge afstemming binnen de restverdediging.
Na rust verloor de counterpress geleidelijk aan kwaliteit. De afstanden tussen de spelers werden groter, waardoor het collectieve karakter steeds meer verdween. In plaats van gezamenlijk druk te zetten, probeerden individuele spelers het balverlies op eigen kracht te herstellen. Daardoor werd de restorganisatie minder stabiel en kreeg Tunesië vaker de mogelijkheid om onder de eerste druk uit te spelen. Ook de communicatie bij het doordekken liet in die fase te wensen over. Meerdere spelers twijfelden zichtbaar of ze moesten uitstappen of juist moesten terugvallen. Uit precies zo’n situatie ontstond uiteindelijk de corner waaruit Tunesië de aansluitingstreffer wist te maken.
Conclusie
Van alle mogelijke tegenstanders lijkt Marokko voor Nederland tactisch misschien wel de lastigste. Wanneer de Marokkanen het dominante balbezitspel van dit WK weten te combineren met de compacte verdedigende organisatie die hen tijdens het WK van 2022 zo sterk maakte, krijgt Oranje een bijzonder lastige avond. Vooral de manier waarop Marokko numerieke overtallen creëert, voortdurend van positie wisselt en spelers tussen de linies vrij probeert te spelen, sluit aan bij de kwetsbaarheden die Nederland in de groepsfase meerdere keren heeft laten zien. Daar staat tegenover dat ook Marokko niet onkwetsbaar is. Wanneer Nederland erin slaagt de eerste pressinglijn te omspelen en optimaal gebruikmaakt van de ruimtes achter de hoog doorschuivende backs, liggen er zeker mogelijkheden in de omschakeling.
Toch zal Oranje vooral zonder bal een vrijwel perfecte wedstrijd moeten spelen om controle te houden over de dynamische veldbezetting van Marokko. Op basis van de tot nu toe getoonde prestaties lijkt Marokko daarom eerder een zeer gelijkwaardige tegenstander dan een ploeg waar Nederland als uitgesproken favoriet aan begint.
LL ontdekte zijn fascinatie voor de inhoudelijke en tactische kant van het voetbal dankzij de vernieuwende ideeën van Thomas Tuchel bij Mainz. In de regio rond de Narrenstad deed hij al ervaring op binnen zowel het amateurvoetbal als de jeugdopleidingen van profclubs
Vooruitblik op Marokko
Marokko speelt op dit WK vanuit een 1-4-2-3-1, met een duidelijk aanvallend gekozen benadering. In de opbouw ontstaat met Mazraoui als linksback een asymmetrische driemanslijn. Die lijn positioneert zich vrij dicht bij elkaar, terwijl Hakimi een soort vrije rol krijgt doordat hij hoger doorschuift of juist naar binnen komt. Met zijn lange loopacties in de diepte zorgt hij voor veel dreiging. Door de hoge positie van Hakimi kan Brahim Díaz lager aan de flank komen, of juist ver naar binnen bewegen om als verbindingsspeler tussen de linies te fungeren. De twee beweeglijke controleurs vormen een compacte dubbele zes en creëren zo een soort 1-4-2-opbouw. Ze bewegen goed getimed kort horizontaal richting de flank, maken elkaar daarbij vrij en proberen het drukzetten van de tegenstander uit te lokken om daar vervolgens met korte combinaties onderuit te spelen. Aan de linkerkant beweegt El Khannouss eveneens wat lager, zodat hij aanspeelbaar blijft voor de naar binnen gekomen Mazraoui. Hij kan ook naar binnen bewegen om zo direct mogelijk in de halfspace open te draaien richting het doel. Tegen Haïti speelde Saibari in de laatste groepswedstrijd als nominale tien. In de andere wedstrijden fungeerde hij vaker als spits vóór Ounahi, die aan beide kanten dominant als verbindingsspeler aanwezig was. Saibari, als krachtige en dynamische loper in de diepte én als uitzakkende spits, stelt iedere verdediging ter wereld voor problemen. Tegen man-georiënteerde pressing, zoals Haïti bijvoorbeeld in de hoge pressing met een simpele man-tegen-man-aanpak deed, vormt de Marokkaanse structuur zich vaak richting een 1-4-2-2-2. Daarbij wordt de breedte op de hoogste lijn bezet, terwijl de tienruimte wordt overbelast en de centrale verdedigers van de tegenstander theoretisch zonder directe tegenstander op hun eigen lijn staan. Deze veelgebruikte structuur zal ook voor Nederland in zijn man-tegen-man-aanpak een uitdaging vormen. Ook buiten de lage opbouw gebruikt Marokko uitzakkende spitsen en dus korte passafstanden en overtal rond een flankspeler. Dat is eigenlijk simpelweg een voortzetting van de lokkende overtalopbouw. Tijdens de overgang naar voren, richting het laatste derde, schuiven de tienen en spitsen weer door naar de hoogste lijn. Verbeterpotentieel laat Marokko vooral zien in de manier waarop het in het overgangsspel deze doorschuivende bewegingen aan de laatste verdedigingslijn van de tegenstander beter kan verbinden en met passes kan benutten. Tegen Haïti lukte dat nog niet goed genoeg.
Als Nederland in het middenblok opnieuw prioriteit geeft aan het afdekken van de diepte achter de laatste lijn, dus niet met beide centrale verdedigers en backs doordekt, maar tegelijkertijd wel man-tegen-man druk wil zetten, zal Oranje waarschijnlijk voortdurend achteruit moeten verdedigen tegen Marokkaanse spelers die in de tussenruimte vrij kunnen opendraaien. Als de Marokkanen, die de flank zeer goed getimed vrijspelen en overbelasten — iets wat juist bijzonder ongunstig is voor Nederland, zoals in de vorige wedstrijden meerdere keren zichtbaar werd — er vervolgens in slagen om directer de doorschuivende bewegingen aan de laatste lijn van de tegenstander te vinden, kunnen ze Oranje tussen de linies volledig uit elkaar spelen.
Nog gevaarlijker wordt het wanneer Marokko aan de flank of in de halfspace een ruit vormt. Binnen die structuur beweegt voortdurend een vijfde speler vrij. De speler aan de punt van de ruit zoekt met een loopactie de diepte om bijvoorbeeld de centrale verdediger en back te binden. Tegelijkertijd houdt de buitenspeler maximale breedte of komt hij juist in de bal om zijn directe tegenstander uit positie te trekken. De binnenste speler fungeert als verbindingsspeler, zodat het spel eenvoudig terug richting het centrum kan worden verlegd. De vijfde speler beweegt vervolgens precies in de ruimte die daardoor vrijkomt. Op die manier weet Marokko zich regelmatig vrij te spelen aan de flank. Van daaruit kunnen de spelers open draaien en optimaal gebruikmaken van de diagonale passlijnen die ontstaan. Dat maakt deze veldbezetting extra gevaarlijk, omdat de ploeg beschikt over meerdere creatieve dribbelaars die ook individueel een tegenstander kunnen uitspelen. Een nog groter probleem voor Oranje is dat Marokko aan beide kanten met een naar binnen gedraaide voet opbouwt. Aan de linkerkant gebeurt dat via El Khannouss en Mazraoui, aan de rechterkant via Brahim Díaz.
Slaagt Nederland er met de eerste pressinglijn – en dan vooral met Gakpo en Malen – niet in om op tijd een 2-tegen-1 te creëren tegen Díaz en El Khannouss, dan dreigt het numerieke ondertal in het centrum de verdediging te dwingen tot slecht getimede uitstapmomenten vanuit de laatste lijn. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico dat Marokko simpelweg door het centrum combineert. Kiest Oranje juist voor meer ondersteuning aan de buitenkant om daar de 2-tegen-1-situaties op te lossen, dan zullen de Marokkanen dankzij hun korte passafstanden, het constante overtal in de opbouw en hun bijzonder loopsterke dubbele zes nauwelijks onder druk komen te staan. Ook het Nederlandse principe om het spel bewust van buiten naar binnen te sturen, lijkt tegen deze tegenstander eerder een nadeel dan een voordeel. De centrale kwaliteiten van Marokko, gecombineerd met de positie van Mazraoui en zijn sterke rechtervoet, sluiten daar juist uitstekend op aan. Het voortdurend uitlokken van uitstappende verdedigers, de vele overtalsituaties, de creatieve dribbelaars, de goed uitgevoerde patronen richting de flank, de constante positiewisselingen en het gebruik van spelers met een naar binnen gedraaide voet maken Marokko tot een bijzonder lastige tegenstander voor de Nederlandse defensieve organisatie. Op dat vlak zal Oranje zich waarschijnlijk moeten aanpassen.
Verdedigend
Verdedigend speelt Marokko meestal vanuit een ruimtegeoriënteerd 1-4-4-2, waarbij de nummer tien naast de spits komt te spelen. Tegen Brazilië probeerden de Marokkanen de Braziliaanse opbouw bewust naar hun linkerflank te sturen. Saibari positioneerde zich daarvoor aan de rechterkant hoger tegen de linker centrale verdediger van Brazilië. Mogelijk kiezen ze tegen Nederland voor dezelfde aanpak, om Van Dijk minder opbouwopties te geven. Binnen het 1-4-4-2 verdedigt de middenlinie vooral ruimtegeoriënteerd en veel minder vanuit mandekking. Regelmatig speelt Marokko daarbij op de grens van verticale oncompactheid, met name wanneer één of beide controleurs in het drukmoment moeten doordekken. De buitenspelers, Díaz en El Khannouss, kiezen juist voor bredere uitgangsposities om direct druk te kunnen zetten aan de flank.
Marokko onderscheidt zich de afgelopen jaren vooral door zijn defensieve intensiteit. Counterpress, sprints naar de bal, agressief doorstappen en het ondersteunen van ploeggenoten gebeuren allemaal op een hoog niveau. In combinatie met de bredere positie van de buitenspelers ontstaan daardoor kleine pressingvallen tussen de buitenspeler en de dubbele zes. Of dat volledig bewust gebeurt of niet, maakt uiteindelijk weinig uit: tegen Marokko krijg je meestal nauwelijks tijd of ruimte aan de bal. Toch kent ook deze manier van verdedigen zwakke punten. Bij het afschermen van de controleursruimte verdedigt Marokko niet altijd compact. Mazraoui stuurt El Khannouss regelmatig naar de zijkant om te voorkomen dat hij te veel ruimte moet verdedigen. Bij tweede ballen ontstaan daardoor geregeld grote gaten. Daarnaast zet de voorste lijn relatief weinig directe druk op de bal. De nadruk ligt vooral op het afsluiten van passlijnen en het sturen van de opbouw. Voor Oranje liggen daar zeker mogelijkheden, mits het de juiste pressingtriggers van Marokko weet te herkennen en te bespelen. Het overspelen van de eerste pressinglijn zou voor Nederland geen groot probleem moeten zijn. Daarna zal Oranje vooral moeten proberen de relatief zwakke linkerflank én de centrale verdedigers van Marokko aan het twijfelen te brengen: stappen ze uit of blijven ze juist staan?
Wanneer Marokko hoger druk zet, kunnen lange ballen bovendien een effectief wapen zijn. Ook Haïti kwam op die manier tot doelpunten. De laatste lijn van Marokko laat zich namelijk al vroeg terugzakken, terwijl de balnabije backs en de middenlinie – door het beperkte drukniveau op de bal – ver moeten uitstappen om hun directe tegenstander onder druk te krijgen. Daar staat tegenover dat Marokko tegen Haïti ook een goede tactische aanpassing liet zien met een sturend 1-3-1-4-2. De grootste kwetsbaarheid van Marokko ligt echter in het gedrag van de balverre spelers na balverlies. Zij leveren zowel in de counterpress als in het terugverdedigen nauwelijks ondersteuning. Dat valt vooral op aan de rechterkant wanneer Hakimi hoog op het veld staat.
Kanttekening
Mocht Marokko er tijdens grote delen van de wedstrijd toch voor kiezen om terug te grijpen op de speelwijze uit het tijdperk van Regragui en te verdedigen vanuit een extreem compact en intensief 1-4-1-4-1- of 1-5-4-1-blok, dan wordt het voor Nederland bijzonder lastig om kwalitatief goede kansen te creëren. In het slechtste geval zorgt de zwakke counterpress van Oranje ervoor dat het onvoldoende dominantie kan ontwikkelen om Marokko langdurig op eigen helft vast te zetten. Daardoor zal Nederland minder tijd en balbezit rond het Marokkaanse strafschopgebied hebben en simpelweg te weinig kansen creëren om op basis van volume tot doelpunten te komen.
Conclusie
Voor Nederland is Marokko misschien wel de meest ongunstige tegenstander die het op dit WK kan treffen. Wanneer Marokko het dominante balbezitspel van het WK 2026 weet te combineren met het compacte lage blok waarmee het op het WK van 2022 zoveel succes had, Saibari als spits opstelt en Bouaddi de voorkeur krijgt boven Amrabat, dan is Oranje vanuit tactisch oogpunt eerder de underdog dan de favoriet. In dat scenario lijkt uitschakeling waarschijnlijker dan plaatsing voor de volgende ronde.
HH groeide op vlak bij de Nederlands-Duitse grens, maar liet zich voetbaltactisch vooral inspireren door Zuid-Europa. Naast zijn werkzaamheden als freelancer voor Duitse profclubs is hij sinds twee jaar actief als jeugdtrainer van de O17 van N.E.C. Nijmegen.




Keine Kommentare vorhanden Alle anzeigen