Friday, 19.06.2026

Te voorzichtig of een gevolg van het WK-format? Nederland-Japan 2:2

2:2

De twee favorieten van de groep stonden tegenover elkaar. “Dat regelen we wel in de andere wedstrijden” had zomaar het motto van beide ploegen kunnen zijn.

Nederland speelde tegen Japan in balbezit vanuit een duidelijke 1-4-3-3-basisformatie, met zeer lage backs, duidelijke spelers die voor de breedte zorgden, een echte spits (Malen) en twee nummers tien (Rijnders en Gravenberch).

Japan verdedigde vanuit een 1-5-4-1-middenblok, stuurde het spel naar buiten en zette alleen bij Nederlandse doeltrappen hoger druk. Om vanuit het middenblok over te schakelen naar een actiever, meer sturend middenblok met druk op de flank, schoof Maeda aan de linkerkant (op papier de linker tien in het 1-5-4-1) door naar de eerste pressinglijn en zette hij samen met wingback Nakamura druk op Dumfries. Daardoor werd De Jong vaak als vrije nummer zes losjes afgeschermd door de Japanse dubbele zes en de zeer terugverdedigende spits Ueda. Japan zette zijn pressing alleen heel situationeel in, goed afgestemd tussen de voorste en middelste lijn, wanneer een breedtepass gevolgd werd door een korte terugpass. Daardoor waren zowel de actie als de vervolgactie goed te voorspellen en waren de passlijnen kort en makkelijk te belopen.

Nederlandse controlfreaks met één uitzondering

Voor Nederland lag in balbezit, binnen het zeer positievaste en vooral statische 1-4-3-3, een sterke focus op controle in de wedstrijd. Daarbij werden ook de technisch sterke centrale verdedigers met korte passafstanden nadrukkelijk betrokken als opbouwers. In veel oefenwedstrijden en Nations League-duels vormde Van de Ven als linksback vaak een soort driemansopbouw doordat hij laag bleef, terwijl Dumfries hoger doorschoof. Tegen diepere of passievere blokken ontstond zo vaak een soort 1-3-2-4-1. In deze wedstrijd bleef echter ook Dumfries in het begin vrijwel uitsluitend onderdeel van de opbouwlijn. Naarmate de wedstrijd vorderde werd Dumfries, in tegenstelling tot Nederland als geheel, wel moediger en schoof hij af en toe door naar de halfspace of zelfs zonder bal mee de zestien in.

Voor De Jong, die zoals altijd heel dicht bij de opbouwlijn zijn positie koos, maakten beide achten die tussen de Japanse linies speelden zoveel mogelijk ruimte vrij. De Nederlandse opbouwlijn probeerde de afstand voor de Japanse voorste lijn te vergroten door met een vlakke viermansopbouw te spelen. Daarbij lieten ze af en toe zien welke kwaliteit er door het centrum mogelijk is, vooral via Van Dijk en De Jong (soms samen met een tijdelijk terugzakkende Rijnders), wanneer ze druk kunnen uitlokken door de grote afstanden van de backs en vervolgens centraal door kunnen spelen.

Japan was zich daar echter van bewust en liet zich maar zelden verleiden. Daardoor speelde Nederland steeds opnieuw in een grote “U” rond het Japanse blok. Nederland nam geen risicovolle beslissingen en gebruikte balbezit vooral als verdedigend middel om geen fouten te maken of Japanse counters weg te geven. Een veelgebruikte toernooitactiek voor technisch en individueel sterkere teams.

Door het overtal in de opbouw en de focus op simpele passes werden gevaarlijke balverliezen in het centrum vermeden, ondersteund door een degelijke restverdediging. Maar zo extreem als hier — met een vlakke viermansopbouw, extreem positievaste tienen (geen overbelasting, niet actief om de bal vragen) en vrijwel geen dribbels behalve van de brede buitenspelers in hogere posities — bleef vooral de vraag hoe Nederland zelf kansen wilde creëren.

Een terugkerend, bijna consequent patroon in de Nederlandse opbouw was het bewust opschuiven via de linkerkant. Vooral Gakpo werd vaak in één-tegen-één-situaties gebracht dankzij goede bindende loopacties van Rijnders. Gakpo koos echter niet voor een directe actie tegen zijn tegenstander, maar juist voor een licht vertragende dribbel met als doel een vrije passhoek naar binnen te creëren. Dat had ook een nadeel: extra Japanse spelers konden achter de bal komen en ruimtes afsluiten in zijn één-tegen-één.

De reden daarvoor lag in het Nederlandse idee om Donyell Malen, die zich tijdens de opbouw nauwelijks met het spel bemoeide, in de voeten aan te spelen. Daar kon hij met zijn wendbaarheid goed standhouden en was hij vervelend om te verdedigen.

Aan de andere kant werd er via de rechterkant langzaam opgebouwd. Dat gebeurde door een klassieke positiewisseling tussen Summerville en Dumfries of via lange diagonale verplaatsingen van Van Dijk naar Summerville, steeds met oog voor een goede verdedigende positie.

Malen had ook vaker al eerder tijdens de opbouw gezocht of aangespeeld kunnen worden. Maar of hij die momenten zelf niet herkende, of dat de Nederlandse aanpak van defensief balbezit dit simpelweg niet toeliet, blijft de vraag.

Daarom begon Gravenberch al vrij vroeg als balverre nummer tien de centrale ruimtes achter de Japanse dubbele zes te bezetten. Zijn ploeggenoten deden echter weinig met die bewegingen — bijvoorbeeld door kort naar binnen te dribbelen of doordat Rijnders uitweek — waardoor Gravenberch daar uiteindelijk weer mee stopte.

Eenvoud als middel om fouten te vermijden had zomaar het oranje motto van deze wedstrijd kunnen zijn.

Toch ontstond de beste Nederlandse aanval juist door meer risico te nemen. Een pass tussen de linies naar Gravenberch, een dribbel in een 1-tegen-2, een overlap van Dumfries waardoor de 1-tegen-1 van Summerville veranderde in een 2-tegen-1 en uiteindelijk een vrije schietkans ontstond. Allemaal elementen die veel te weinig terugkwamen in deze wedstrijd.

Wanneer Japan nog verder terugzakte in een extreem compact 5-4-1-blok rond het eigen strafschopgebied, positioneerden de Nederlandse backs zich iets meer diagonaal tussen centrale verdediger en buitenspeler en kwamen ze dus iets meer naar binnen.

Een laag blok is geen doel op zich

Verdedigend koos Nederland bij Japanse doeltrappen voor een zeer mangeoriënteerde aanpak. Ze stuurden de Japanse opbouw naar de zwakkere voet van de speler aan de bal om zo een zo onnauwkeurig mogelijke lange bal en een luchtduel uit te lokken. In de lucht hadden de Nederlanders immers een duidelijk voordeel.

Voor de rest liet Nederland zich meestal terugzakken in een vrij passieve 1-5-4-1, waarbij De Jong vaak de laatste lijn aanvulde om Doan, Kubo of de rechter tien van Japan te volgen.

Nederland was heel duidelijk gefocust op het afdekken van de diepte en wilde absoluut geen ruimte achter of voor de verdediging weggeven. Daardoor kwam de Nederlandse dubbele zes in een lastig dilemma terecht tussen hun mandekking en de verticale compactheid ten opzichte van de laatste lijn van Oranje, die in twijfelgevallen eerder achteruit dan vooruit verdedigde.

Een enkele spits in een 1-5-4-1 heeft het meestal moeilijk, maar Malen probeerde ook niet echt functies op zich te nemen die zijn ploeg konden helpen. Tegelijk waren de buitenste spelers van het blok vooral bezig met hun verticale mandekking op de Japanse driemansopbouw. Daardoor zette Nederland vrijwel geen druk op de Japanse opbouw, die zich vrij kon ontwikkelen.

Het zeer beweeglijke en rotatierijke aanvalsspel van Japan tegenover de fysieke, grote Nederlandse spelers liet vooral potentieel zien wanneer Japan vroeg naar de flank speelde en vervolgens naar binnen combineerde.

Door het gebrek aan druk van Nederland kon Japan vanuit de opbouwlijn schone en snelle passcombinaties uitvoeren naar een hoog gepositioneerde wingback. Vanaf daar kon die relatief eenvoudig naar binnen spelen, omdat de pressingafstanden van de Nederlandse backs te groot waren om al bij de eerste aanname druk te zetten.

Kort gezegd kon Japan, door de — in deze context — veel te late druk van Nederland, sneller en zuiverder naar de flank spelen dan Nederland in staat was om daar druk op te krijgen. Want als de Nederlandse backs eerder zouden uitstappen, zouden ze veel verder naar buiten worden getrokken, wat weer haaks stond op het Nederlandse idee om het centrum en de diepte gesloten te houden.

Vanaf de flank kon Japan vervolgens profiteren van het eerder beschreven dilemma van de Nederlandse dubbele zes. Die moest nu kiezen tussen het blijven volgen van hun directe tegenstander (zoals Rijnders vaak deed), waardoor ruimte vóór de verdediging ontstond, of terugzakken richting de laatste lijn, waardoor er voor hen geen druk meer op de bal was.

Door verloren één-tegen-één-duels in het centrum, problemen in het volgen van tegenstanders en de algemene passiviteit van het blok kwam Japan uiteindelijk ook op gelijke hoogte. Na een gebrek aan duidelijke afspraken bij het winnen van terrein konden de Japanners het strafschopgebied binnendringen en werden ze tot aan het schot eigenlijk alleen maar begeleid.

Ironisch genoeg werd juist Dumfries’ actieve manier van verdedigen hem fataal, omdat hij zijn benen opende en daarmee de korte hoek vrijgaf voor Nakamura.

Daar kwam nog bij dat naast De Jong ook Van Hecke en vooral Van Dijk moeite hadden met korte, diepe loopacties. Mede door het gebrek aan afdekking hadden ze problemen om die goed te volgen.

Door gebrekkige timing en onvoldoende precisie wist Japan daar uiteindelijk niet optimaal van te profiteren. Omdat De Jong geen natuurlijke centrale verdediger is, werd de diepte soms niet goed bewaakt door de laatste lijn. Daarnaast kozen Van Dijk en Van Hecke geregeld een andere hoogte dan De Jong, iets wat Japan eigenlijk te weinig uitbuitte.

Een kleine aanpassing die weinig opleverde

In de loop van de wedstrijd paste Nederland de aanloophoeken aan. Daardoor veranderde automatisch ook de positie van de buitenste spelers van de middenlinie. Zij konden nu iets losser uit de lijn stappen richting de hoog opgeschoven Japanse wingbacks en druk zetten op indribbelende of terugzakkende Japanse opbouwers. Zo kon Japan minder makkelijk direct naar de flank spelen zoals eerder beschreven.

Toch klopten zowel het moment als de richting van die acties niet. Daardoor stonden spelers als Gakpo en Koopmeiners hoger op het veld, maar konden ze na een succesvolle Japanse pass niet meer meeverdedigen in dezelfde actie.

In plaats daarvan hingen ze vaak een beetje tussen wal en schip. Opmerkelijk genoeg sloten ze niet de terugpass af — wat de één-tegen-één-verdediging op de flank juist geholpen zou hebben — maar probeerden ze alsnog aansluiting te houden bij de actie. Daardoor kregen de Japanse wingbacks juist meer ruimte aan de zijkant en werd ook het verleggen van het spel makkelijker.

Grotere defensieve problemen ontstonden ook wanneer de Nederlandse flankduo’s rotaties moesten verdedigen, vooral aan de kant van Gakpo. Waar Koopmeiners kwaliteiten heeft in het volgen van zijn directe tegenstander, verloor Gakpo af en toe zijn man uit het oog.

Opvallend kwetsbaar was Nederland bovendien in de organisatie van de verdediging bij corners en ingooien.

Bij de weinige balveroveringen waren zowel de besluitvorming als de omschakelkracht van Nederland te zwak om echt gevaarlijk te worden.

Daarnaast werd de horizontale compactheid in de slotfase steeds slechter, waardoor Japan steeds vaker vrije spelers tussen de linies vond. De vraag is of dat vooral een fysiek probleem was of eerder een cognitief en organisatorisch probleem

De verdedigende strategie versterkte en veroorzaakte individuele probleme

Ook De Jongs manier van dekken past niet echt bij de zeer directe en doorjagende stijl van Van Dijk en Van Hecke. Waar die twee hun tegenstander vanuit de laatste lijn vaak strak blijven volgen, houdt De Jong zich als balverre speler vaker bezig met het (her)organiseren van de verdediging. Daardoor ontstaan er vrije spelers tussen de linies, zeker omdat de Nederlandse dubbele zes ook nog eens mangeoriënteerd verdedigt.

Wanneer De Jong wél uitstapt uit de laatste lijn, laat hij soms problemen zien in het daadwerkelijk druk zetten, vooral qua dynamiek nadat hij de eerste aanname van zijn tegenstander heeft verdedigd. Japan maakte daar richting het einde van de wedstrijd meerdere keren gebruik van om de balcirculatie in hogere zones netjes voort te zetten en het spel te verleggen.

Later in de wedstrijd werd De Jong vervangen door Aké.

Ook aan de andere kant viel op dat vooral Van Dijk moeite had met het oppakken en volgen van de snelle wisselbewegingen van de Japanners, met name bij korte bewegingen in de diepte (zie afbeelding). Door zijn directe, mangeoriënteerde manier van verdedigen kwam hij daarbij af en toe in de problemen. Japan wist daar echter niet van te profiteren door een gebrek aan timing en precisie. Over het geheel genomen waren er dus meerdere individual-tactische tekortkomingen zichtbaar die niet goed aansloten bij de gekozen passieve verdedigende strategie.

Zwakke punten en vooruitblik

In balbezit beschikt Nederland over veel individuele kwaliteit. Als een tegenstander in de val loopt, kan Nederland via alle spelers in het centrum dynamiek creëren. De aanpak van defensief balbezit was echter behoorlijk extreem en zorgde voor weinig doelkansen, maar wel voor veel controle over de wedstrijd.

Waarschijnlijk was het plan om Malen vaker vrij te spelen vanaf de flank en hem zo beter in het spel te betrekken. Desondanks heeft Nederland, zelfs met kleine aanpassingen waarbij iets meer risico wordt genomen, enorm veel potentie om gevaarlijk aanvallend voetbal te spelen en tegen iedere tegenstander tot kansen en doelpunten te komen.

Wat vanuit Nederlands perspectief eerder zorgen zou moeten baren, is de defensieve organisatie. De balans tussen druk zetten en het afsluiten van het centrum en de tussenruimtes klopt niet. De druk ligt op zo’n laag prioriteitsniveau dat voor iedere degelijke ploeg op dit toernooi het vinden van de juiste veldbezetting en het opschuiven geen echte uitdaging vormt. De sluitende bewegingen van de Nederlandse spelers zorgen daardoor eerder voor schadebeperking dan voor het daadwerkelijk voorkomen van gevaar. Hun bewegingen worden als het ware zonder enige vorm van druk volledig geneutraliseerd.

Ook de laatste lijn en de verdediging van het eigen strafschopgebied ogen niet extreem goed op elkaar afgestemd. Problemen in de mandekkingen op de flank, vrijwel geen mogelijkheden om te counteren vanwege de lage en op mandekking gebaseerde posities, en een algemene slaperigheid bij standaardsituaties kunnen Nederland al in de groepsfase flink parten spelen.

En Depay?

In Nederland zorgde de invalbeurt van Depay bij een stand van 2-1 voor veel verbazing onder de toeschouwers. In werkelijkheid wist hij niet echt acties toe te voegen die Oranje verder hielpen.

Wel moet worden gezegd dat de positie van enige spits voor een diep, naar achteren gericht en passief 1-5-4-1-blok tegen een tegenstander die opbouwt in een 3-2-structuur weinig invloedrijke mogelijkheden biedt.

Toch zou een dynamischere spits, die meer loopt en diepgang brengt, Nederland vooral bij balveroveringen en omschakelmomenten waarschijnlijk meer hebben geholpen dan Depay in deze wedstrijd deed

HH groeide op aan de Nederlands-Duitse grens, maar keek op tactisch vlak liever richting Zuid-Europa. Naast zijn werkzaamheden als freelancer voor Duitse profclubs is hij sinds twee jaar ook actief als jeugdtrainer bij de O17 van N.E.C. Nijmegen.

LL ontdekte zijn fascinatie voor voetbalinhoud en tactiek dankzij de vernieuwende ideeën van Tuchel bij Mainz. In de regio rond de Narrenstadt is hij al actief geweest binnen zowel het amateurvoetbal als de jeugdopleidingen van profclubs (NLZ).

Hinterlasse eine Antwort

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*